![]() |
Het ontstaan van een parel gaat heel eenvoudig: de parel groeit in een schelpdier. Meestaal in een tweekleppig schelpdier dat ook de kunst verstaat om parelmoer te maken. Die parelmoer wordt gevormd door de mantel die het schelpdier omgeeft. Parelmoer ontstaat uit plaatjes arogoniet die elkaar overlappen: zo ontstaat er een gladde laag waarmee de weekdier zich beschermt. Wanneer een diertje of een voorwerp in de schelp dringt, vormt de mantel er een beschermende laag van parelmoer om. Het dier probeert vaak zo'n indringer tegen de schaal aan. Op die manier ontstaat een blisterparel: een parel die aan de schelp vastzit. |
|
|
Meestal komt de indringer in de mantel zelf terecht. Dan wordt hij omgeven met mantelmateriaal, het klevende conchine waarin en waarop later de uiterst kleine aragonietplaatjes in laagjes worden afgezet. Het hoeft dan nog geen ronde parel te worden; elke andere willekeurige vorm behoort ook tot de mogelijkheden. De parel groeit zeer langzaam. De snelheid van groeien hangt af van de temperatuur van het water en van de soort van de pareloester. De pareloesters werken langzaam maar gestaag door; ze zetten per dag twee tot zeven laagjes af die elk 0,0005mm dik zijn, ofwel een halve micron. |
![]() |
Het resultaat na één jaar is verschillend. In de koude Ago baai in Japan groeit de parel gemiddeld 0,15mm., bij het warmere Kyushu is de groei het dubbele. In de warme Zuidzee komen lagen tot 3mm. voor, maar deze laag is dan wel veel grover van korrel. |








